Arrest: Knooble-perspectief

Allereerst onze felicitaties aan de staat en NNI! Het doet ons zeer maar deze ronde hebben we verloren. De uitspraak van het hof is voor Knooble dan ook teleurstellend.

Op 16 november jl. is arrest gewezen in de NEN-zaak. Het hof is van mening dat de verwezen NEN-normen wettelijk niet algemeen verbindend zijn maar wel publiekrechtelijk algemeen geldend zijn.

Dit betekent dat NEN-normen op een vooralsnog niet wettelijk beschreven wijze op enig moment rechtskracht krijgen en hiermee per saldo in een aparte categorie wettelijke regels vallen: wettelijke regels vrijgesteld van publicatie maar wel auteursrechtelijk beschermd. Wat hier de juridische basis voor is heeft het hof, naar ons oordeel, niet gemotiveerd.

In het arrest is de huidige praktijk beschreven. Dit betreft de wijze waarop normen worden opgesteld en nu tegen betaling, onder voorbehoud van auteursrecht, kunnen worden geraadpleegd. In rechtsoverwegingen 8. t/m 15. heeft het hof haar beslissing nader gemotiveerd.

Onderstaand is het Knooble-perspectief op hoofdlijnen beschreven.

Ad. 8. Het hof bevestigt dat een algemeen wettelijk verbindend voorschrift op grond van een regelgevende bevoegdheid (“bij of krachtens de wet”) moet zijn vastgesteld. Het NNI heeft deze bevoegdheid niet. Het feit dat er in wetten naar NEN-normen wordt verwezen is onvoldoende om de status “wettelijk verbindend” te verkrijgen.

Knooble: Hierover is, in essentie, geen verschil van inzicht. NNI maakt normen, deze worden dan ook niet zomaar wettelijk verbindend. Voor een voorschrift is publicatie (vrij van auteursrecht) een voorwaarde om tot de status “wettelijk verbindend” te kunnen komen. Daar is niet aan voldaan. Dit is bij vonnis in eerste aanleg bepaald. Dit vonnis is door het hof nu vernietigd.

Ad. 9. Het hof geeft uitleg over de regelgevende bevoegdheid: het NNI kan zelfstandig normen vaststellen en wijzigen. Dit is niet te verenigen met de wijze waarop een voorschrift wettelijk moet worden vastgesteld.

Knooble: De overheid stelt vast. Op dat moment treden de regels in werking om hetgeen is vastgesteld ook rechtskracht te kunnen geven. Dit is, naar mening van Knooble, nog steeds gebaseerd op de vereiste publicatie die volgt uit de grondwet en publicatiewet. Komen er wijzigingen in een norm of zijn er andere versies dan wordt dit niet anders. Dat de norm is ontwikkeld door een instantie anders dan de overheid doet niets af aan de vereisten.

Ad 10. Het hof spreekt over “bedoelingen van de wetgever” en dat veel NEN-normen geen enkele eis stellen maar slechts reken-, meet- of regelmethoden standaardiseren.

Knooble: Daar kan veel over worden gezegd. Het is op zijn minst naïef te veronderstellen dat het mogelijk is om zaken zoals het berekenen van de daglichttoetreding, constructieve berekeningen of epc-berekeningen zonder de toepasselijke NEN-normen te kunnen bepalen. Recente berichtgeving over de energieprestatienorm NEN 7120 bevestigt de verwevenheid en voorwaardelijke koppeling: pas als de rekenmethode gebaseerd op de NEN-norm betrouwbaar wordt geacht zal het Bouwbesluit worden gewijzigd. Het gaat niet over “slechts” reken-, meet- of regelmethoden: het gaat over specifieke vereisten die ondeelbaar zijn met tekst van het Bouwbesluit.

Ad 11. De gelijkwaardigheidsbepaling van het Bouwbesluit wordt hier aangehaald: je kunt ook op een andere manier aan het voorschrift voldoen.

Knooble: De gelijkwaardigheidsbepaling is al vaker als een soort veiligheidspalletje in de gewisselde argumenten voorbij gekomen. Hierbij spelen twee essentiële punten. De gelijkwaardigheidsbepaling is in het Bouwbesluit opgenomen om de mogelijkheid te bieden situaties en toepassingen die uitzonderlijk zijn als gevolg van bijvoorbeeld technische vernieuwingen te kunnen toetsen. Zo zie je het ook in de praktijk, in die gevallen wordt de gelijkwaardigheidsbepaling ingeroepen en wordt er naar gehandeld. Het tweede punt is en blijft “gelijkwaardig aan wat?” Enkel met de tekst dat moet worden voldaan aan eisen met betrekking tot “veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en het milieu” kom je er niet. Om die gelijkwaardigheid te kunnen toetsen, dus ook voor een afwijking, moet je kennis kunnen nemen van het voorschrift waarvoor gelijkwaardigheid wordt beoogd.

Ad 12. Deze overweging heeft betrekking op de beschikbaarheid van de normen bij NNI. Kort samengevat: wie bouwt moet voor de normen betalen en de kenbaarheid is via dit systeem gegarandeerd.

Knooble: Dit is het beschrijven van het huidige systeem. Als we aannemen dat er een nieuwe categorie wettelijk verbindende voorschriften is, een categorie waarvoor je eerst moet betalen om te weten te komen waar je aan moet voldoen, dan is dit uiteraard te plaatsen. Knooble wil nog steeds geloven dat een dergelijke categorie niet bestaat. Daarnaast zijn argumenten die over de bekostiging gaan slechts zijdelings van belang. Op het moment dat we het over wettelijke regels hebben dan is het iets wat alle Nederlanders betalen, of je nu veel of weinig met bouwen te maken hebt. Wetgeving wordt betaald uit overheidsgeld. Nog los van dit principiële punt is het broekzak – vestzak, links of rechtsom betalen we het met ons allen. Als bekostiging echt een punt zou zijn dan is het gepast ook naar de baten te kijken. Wat is de winst indien de normen vrij beschikbaar komen? Volgens Knooble zit daar de kneep!

Ad 13. De steunbetuigingen die Knooble heeft ontvangen worden door het hof aangehaald. Tegelijkertijd wordt aangegeven dat deze steun niet meeweegt in een mogelijke stelselwijziging.

Knooble: Een oordeel over een stelselwijziging is niet aan het hof voorgelegd. Deze rechtsoverweging zegt hiermee niets over de juridische achtergronden. Het is juist dat juridische afwegingen niet worden bepaald door het aantal mensen die voor gratis normen zijn. De steunbetuigingen zijn tegelijkertijd weldegelijk van groot belang omdat hieruit blijkt dat mensen, veelal uit het vak, niet snappen waarom je moet betalen om aan wettelijke regels te kunnen voldoen. Dit zijn de mensen die door de overheid worden gewezen op eisen en die, bij niet-nakoming, onder verwijzing naar de toepasselijke NEN-normen, worden beboet. In de handhaving en rechtspraktijk hebben we het over wel of niet voldoen aan NEN-normen. Mensen snappen de discussie dan ook niet. Waarom zijn er, gebaseerd op wat de NEN-zaak teweeg heeft gebracht, Kamervragen gesteld? Waarom hebben Kamerleden afspraken gemaakt met ministers uit eerdere tijden gericht op helderheid over deze kwestie? Waarom heeft dit alles nog niets opgeleverd? De steunbetuigingen zijn van groot belang om een duidelijk signaal af te geven: mensen snappen niet waarom je voor wettelijke voorschiften moet betalen.

Ad 14. Het hof stelt dat NEN-normen algemeen geldend zijn maar dat er met de bekendmaking niets aan de hand is. Anders gezegd: er is voor deze voorschriften geen publicatieplicht.

Knooble: Publiekrechtelijk algemeen geldend betekent volgens het hof dat er voor de NEN-normen een soort vrijstelling van publicatie is. Zoals in de inleiding is aangegeven zijn en blijven wij van mening dat er hiermee een nieuwe categorie wettelijke voorschriften is gecreëerd. Knooble handhaaft haar standpunt dat wettelijke voorschiften via de overheid vrij van auteursrecht moeten worden gepubliceerd. Dit is en blijft een vereiste om iedereen de gelegenheid te bieden onbelemmerd kennis te kunnen nemen van wettelijke verplichtingen.

Ad 15. In deze rechtsoverweging gaat het over het “vaststellen” en “bekendmaken” ook wel “uitvaardigen” genoemd: wie doet wat wanneer en hoe met de verwezen normen.

Knooble: De redenatie is vergelijkbaar met hetgeen hierover al is gesteld: het NNI is geen openbare macht en kan de normen wettelijk gezien niet vaststellen. Het hof koppelt daar een gevolg aan: publicatie is dientengevolge niet van toepassing. Het standpunt van Knooble mag duidelijk zijn: om aan de wettelijke eisen te voldoen kun je niet zonder de verwezen normen. Deze koppeling is onlosmakelijk. Het verwezen voorschift is een onderdeel van de eis en moet overeenkomstig de publicatiewet vrij van auteursrecht beschikbaar worden gesteld. Voor een andere categorie wettelijke voorschiften, vrijgesteld van publicatie, is, in onze ogen, geen juridische basis.

Ad 16. – 17. De eisen van Knooble zijn terzijde geschoven en het eerdere vonnis vernietigd.

Tot slot

Knooble gaat in cassatie. Dat deze route moest worden bewandeld was al vroeg in de procedure bekend. Ook indien het arrest in het voordeel van Knooble zou zijn geweest was al duidelijk dat cassatie de enige manier is om de kwestie helder te krijgen. Een eerder voorstel van Knooble om middels sprongcassatie de stap “hof” over te slaan om tijd te winnen is niet door partijen geaccepteerd.

Download vonnis