Kabinetsreactie nader beschouwd

Wij zijn zeer positief over het voornemen van het kabinet om bepaalde normen nu wel vrij beschikbaar te gaan stellen!

Fijn, leuk, mooi maar is dit het dan? Laten we proberen het realistisch te duiden.

In de kabinetsreactie van 30 juni 2011 is niet aangegeven waarom bepaalde normen nu dan toch gratis beschikbaar komen. Er wordt verwezen naar de aanbeveling vanuit het project Kenbaarheid van Normen en Normalisatie en in het bijzonder de navolgende aanbeveling: ‘De overheid dient, naar analogie van reguliere wetgeving, “verwezen normen” kosteloos ter beschikking te stellen.’ Dat gaat de overheid nu dus doen maar dan wel een beetje.

Tegelijkertijd wordt in de kabinetsreactie aangegeven dat er wettelijke gezien, naar oordeel van het kabinet, nog steeds geen reden is om hiertoe over te gaan. In dezelfde reactie wordt gemeld dat de overheid structureel meebetaalt aan normalisatieactiviteiten van NEN. Over 2010 was dit € 5,8 miljoen.

De kwestie NEN-normen wel of niet publiceren is in de periode 1998 – 1999 op de agenda gezet. De aanbevelingen van het project ‘Kenbaarheid van normen en normalisatie’ zijn van 2004. In al die jaren is door de bewindslieden het standpunt gehuldigd dat het beschikbaar stellen van verwezen normen niet aan de orde is. Waarom niet? Tja … er zijn veel redenen voorbij gekomen. Twee belangrijke zijn dat de overheid de normen niet heeft opgesteld (en opstelt) en er volgt geen verplichting uit de normen want je kunt ook op een andere manier aan de wet voldoen. Is dit nu ineens anders geworden? In 2006 is Knooble met de kwestie aan de slag gegaan. Er is eerst maar eens geprobeerd te polsen of er iets van reparatie wordt overwogen. Vervolgens is de juridische weg ingeslagen. We zijn nu 5 jaar verder en als het om de NEN-normen gaat nog niet echt veel wijzer.

In de Knooble NEN-zaak in eerste aanleg leek het even de goede kant op te gaan: meer duidelijkheid over de juridische status en daaraan gekoppeld de consequenties. In hoger beroep is dit op diverse punten teniet gedaan maar er was reden genoeg de kwestie voor de Hoge Raad te brengen. Er is een belang de zaak juridisch 100% helder te krijgen en dat blijft nog steeds. In de kern is het uiteraard heel simpel. “Als je eisen stelt moeten mensen hier kennis van kunnen nemen.” Net zoals in de eigen organisatie iedereen de regels moet kunnen raadplegen is dat voor de BV Nederland niet anders. Dat je moet betalen om de regels te kunnen raadplegen is op zijn zachtst gezegd problematisch. Moeilijker is het eigenlijk niet.

Welnu … Ineens komt er een royaal gebaar van ons kabinet om nu dan toch bepaalde normen vrij beschikbaar te maken. Op zich natuurlijk fijn, waarvoor dank, maar waarom nu die ommezwaai? Waarom die aanbevelingen uit 2004 afstoffen en daar nu iets mee doen?

Moet je het je überhaupt afvragen? Natuurlijk! Niets gebeurt zomaar. Het is een nieuw “feit” waar we op in moeten spelen. We proberen het te plaatsen met een doorkijk naar consequenties.

Uit de kabinetsreactie valt het volgende op te maken: ‘Het beleid van de overheid is er op gericht dat het toepassen van normen vrijwillig is.’ Dat gezegd hebbende wordt vervolgens aangegeven dat er toch dwingende verwijzingen zijn. Dit is als volgt omschreven: ‘Als er dwingend naar een norm wordt verwezen, is geen vrije keuze meer de norm al dan niet toe te passen. De norm moet worden ingezien om aan de wet te kunnen voldoen. Daarom zal het kabinet er bij inhoudelijk nieuwe regelgeving die op of na 2012 in werking treedt voor zorgen dat indien hierin dwingend naar nationale normen wordt verwezen, deze normen vanaf inwerkingtreding van die regelgeving kosteloos beschikbaar zijn.’

Het één is niet met het ander te verenigen. Als je als beleid stelt dat het toepassen van normen is gebaseerd op het vrijwillig toepassen maak je uiteraard geen regels met dwingende verwijzingen. Dat er in afwijking van dit beleid regels met dwingende verwijzingen naar normen worden gemaakt is de praktijk. Dit is een onbegrijpelijke tegenstrijdigheid. Beleid maken en uitdragen en vervolgens het handelen in strijd hiermee etaleren is vreemd.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen dwingende verwijzingen en overige verwijzingen. Dwingende verwijzingen van nationale normen komen vrij, de rest niet. Is duidelijk wat een dwingende verwijzing is? Is dit alleen in die gevallen waarin wordt gesteld “Voor dit moet je aan deze norm voldoen” of hebben we het daarnaast ook over specifieke vereisten gebaseerd op verwezen normen die ondeelbaar zijn met de tekst van het Bouwbesluit? Daar kun je een mening over hebben maar het is beter even een stapje terug te nemen en het binnen het juridisch kader te plaatsen.

Vast staat dat NEN-normen als gevolg van de verwijzing daarnaar onderdeel zijn geworden van de daarin vervatte rechtsnormen en daarmee (onderdeel van) algemeen verbindende voorschriften (zie pagina 5 van de cassatiedagvaarding om dit exact te kunnen plaatsen).

Ontstaat er nu een groot grijs gebied daar waar je van de overduidelijk dwingende normen overgaat naar de rest van de normen die op de een of andere manier ook in de regels zijn te vinden? Voor die “restnormen” krijg je te maken met het criterium “bewijsvermoeden”. Hoe ruim wordt dit criterium (straks) in relatie tot de gelijkwaardigheidsbepaling  gehanteerd? Geen idee … Deze tweedeling roept vragen op. Reden temeer het wel helder te krijgen.

In de kabinetsreactie is ook iets gezegd over het onderscheid tussen nationale en internationale regels. In het kort: nationale dwingende normen worden vrijgegeven, de rest niet. Is de (wettelijke) basis voor het beschikbaar stellen van verwezen normen gebaseerd op de mogelijkheid tot het sluiten van een deal: met wie je wel met wie je niet auteursrechten kunt afkopen?

Resumerend:
Wij zijn erg verheugd met de beweging om bepaalde normen vrij te geven. De kabinetsreactie van 30 juni 2011 is echter geen reden de cassatieprocedure in te trekken of, voor zover nog mogelijk, anders in te steken. Er zijn een aantal nieuwe vragen en ongerijmdheden die mogelijk wel ingebracht dienen te worden.

Al met al hebben we meer vragen.